Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

niet getracht had een nieuwen lap op het oude kleed te zetten, maar dat hij verbetering had gebracht door wijziging van het Regeeringsreglement1).

Naar sprekers overtuiging bracht het voorliggend wetsontwerp een bestuurshervorming, die noodzakelijk was. Men stond bij de inrichting van het bestuur in Indië en bij hervormingen daarvan voor een zeer moeilijke taak. Men moest in het belang der ontwikkeling van land en volk die bestuurshervormingen tot stand brengen niet voor onszelf maar voor anderen, die voor het overgroote deel over den aard van die hervormingen geen oordeel hebben en daartoe niet kunnen medewerken, waardoor onze verantwoordelijkheid te dezen opzichte buitengewoon vergroot werd.

De bedoeling van elke ingrijpende bestuurshervorming moest naar sprekers oordeel zijn, om op het bepaalde oogenblik de aanwezige volkskracht tot uiting te brengen. Nu was er niet een voor alle volken en tijden beste bestuursinrichting. Wat voor Nederland goed was, kon verkeerd zijn voor Indië. De bestuursinrichting, die perfect was voor Java, kon een onding zijn voor Papoea. De vorming van het bestuur moest berusten op een grondige kennis van land en volk, moest zich laten leiden door eerbied voor het bestaande opdat de hervorming daarbij aansloot en van dat bestaande de natuurlijke groei en ontwikkeling was en geen maakwerk werd.

Uit deze opmerking volgde, dat men in Nederland nooit meer kon doen dan de groote hoofdlijnen van de bestuursinrichting en de bestuurshervorming geven en de uitwerking en de toepassing aan Indië moest overlaten. Verder volgde daaruit, dat de beginselen en hoofdlijnen, die men vastlegde in een ontwerp, zoo lenig

*) De in 1903 door den toenmaligen Minister Idenburg tot stand gebrachte „Decentralisatie-wetgeving" is de eerste wettelijke voorziening geweest, tevens een belangrijke stap, tot ontwikkeling van zelfbestuur daar te lande; van verantwoordelijke publieke behandeling van publieke aangelegenheden. Het kenmerkend onderscheid met de in 1925 aanvaarde beginselen van decentralisatie ligt in de kern der zaak hierin, dat, terwijl met de eerste wetgeving bedoeld werd schepping, voor de behartiging van bijzondere gewestelijke, regionale of plaatselijke belangen, van zelfstandige fondsen onder autonoom beheer (finaniceele decentralisatie), de wetgeving van laatstgenoemd jaar ten doel heeft vorming, in de lijn der in het Moederland gehuldigde beginselen, van autonome gebiedsdeelen — territoriale rechtseenheden — met eigen bestuur ten aanzien van de staatsrechtelijk als zoodanig aangewezen of erkende eigen huishouding.

Het feit, dat de in 1903 tot het eerste oogmerk in het toenmalige Regeeringsreglement ingelaschte bepalingen ten behoeve van de op dien grondslag gevormde instellingen m. m. plaatsing verkregen, naast de nieuwe beginselen, in de „Indische Staatsregeling" van 1925 (artt. 123-125), stempelde voor die instellingen dat samenstel van bepalingen in zekeren zin als overgang tot den lateren nieuwen rechtstoestand.

Sluiten