Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

en soepel moesten zijn, dat rekening kon worden gehouden met de verschillende behoeften en omstandigheden.

In dit verband wilde spreker nog een opmerking maken. Er moest bestaan een zeer nauw verband tusschen den Staatsvorm van een volk en de algemeene ontwikkeling daarvan. Dit had spreker bij de verdediging der begrooting van 1919 als Minister ook reeds betoogd. Indien men zich nu afvroeg: wat is de intellectueele ontwikkeling van de bevolking van Nederlandsch-Indië, dan vond men in een van de bijlagen van het Rapport der Indische Herzieningscommissie interessante gegevens. Dan zag men, dat er op Java nog 98,5 procent analphabeten waren; dat in sommige deelen van de Buitengewesten dat aantal belangrijk minder was, vooral daar, waar de zending lang heeft gewerkt, maar dat het in andere streken nog grooter was. De uitingen van sociaal leven buiten de desa waren zeer zeldzaam. Kapitaalvorming, behalve dan wat het grondbezit betrof, was bij de Inlanders uiterst schaarsch. In schier alle groote bedrijven was de leiding niet in Inlandsche handen en zoo kwam men tot de slotsom, dat de bevolking van den Archipel, geheel los van haar ongetwijfeld gunstigen aanleg, aan het begin van haar ontwikkeling staat.

Daarmede behoorde ook de bestuurshervorming te rekenen. Een bestuursinrichting, geschikt voor volken, die mijlen vèr op dien weg hebben afgelegd, zou verkeerd zijn voor een volk, dat aan het begin staat van die ontwikkeling. Hieruit volgde, dat men met dien factor rekening moest houden bij de toebedeeling van de bestuurstaak; bij het opleggen van verantwoordelijkheid; ook bij den omvang van de taak, die men ter zelfstandige verzorging aan de Inlandsche bevolking toevertrouwde.

Een tweede opmerking, die spreker in dit verband wenschte te maken, was, dat een goede bestuursinrichting van Indië moest rekenen met de verscheidenheid onder de bevolking, die niet is een homogene massa, maar in hooge mate heterogeen. De staatkundige eenheid, die haar samenbond, en die haar ongetwijfeld tot grooten zegen strekte, was een direct gevolg van ons zijn in Indië. Het gevoel van eenheid, voor zooveel aanwezig, was de antithese tusschen Inlander-Europeaan, tusschen Christen-Mohammedaan „Indien wij vandaag weggingen uit Indië" — voegde spreker hieraan toe — „zou ons het meest treffen niet de homogeniteit, maar de heterogeniteit; niet de uniformiteit, maar de

Sluiten