Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

maligen Regeeringscommissaris De Graaff naar die van den tegenwoordigen Minister De Graaff, die verband hield met de gebeurtenissen, die in de laatste jaren hadden plaats gevonden, en die daarin bestond, dat de ambtelijke decentralisatie veel meer op den achtergrond geschoven was en een niet-ambtelijke: verleening van autonomie en zelfbestuur, meer op den voorgrond was getreden !).

Maar spreker ontzegde de heer Mendels het recht, om deze wetsvoordracht te beschouwen in een licht, dat niet ontleend was aan de wet zelf en aan haar toelichting.

„En ten slotte" — verklaarde de Heer Idenburg — „ik heb gezegd, dat ik deze wetsvoordracht toejuich; ik ben overtuigd, dat indien dit voorstel in Indië wordt uitgewerkt en toegepast naar de bedoeling van hem, die het heeft ontworpen, en naar de bedoeling van ons, die hierover zullen stemmen, dat dan bewaarheid zal worden deze uitspraak van dat eene lid van den Volksraad, waarnaar ook verwezen wordt in ons Voorloopig Verslag, dat deze wetsvoordracht opent groote mogelijkheden voor de bestuursontwikkeling van Indië".

Het woord verkregen hebbend tot beantwoording van de bo- Minister van venvermelde sprekers, verklaarde ik 2), in de eerste plaats gebruik te willen maken van die vergunning, om mijne erkentelijkheid te betuigen voor de welwillende beoordeelingen, die van de zijde der beide laatste woordvoerders aan de voorstellen ten deel waren gevallen. Inzonderheid richtte ik mij daarbij tot mijn voormaligen ambtgenoot den oud-Minister Idenburg, wiens pleidooi van dien aard was geweest, dat ik voor de verdediging van de zaak feitelijk weinig meer daaraan behoefde toe te voegen, en wien ik ook overigens erkentelijk was voor zijne waardeerende woorden van meer persoonlijke strekking, welke ik had mogen vernemen.

In de vele jaren, welke verloopen waren sinds het oogenblik,

toen voor het eerst de Regeering openbaarheid gaf aan een afgerond plan tot reorganisatie van het bestuurswezen in Indië, met name van de gewestelijke en plaatselijke bestuursinrichting, was over dit onderwerp veel gezegd en geschreven. Het lag — zeide ik

1) Een kentering derhalve, welke parallel liep met de inmiddels ingetreden kentering in den tijdgeest op koloniaal gebied.

2) Handelingen a. v., blz. 368-370.

Sluiten