Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

betoog noodig had geacht. Van den Heer Mendels was ik geen anderen vorm gewoon. Ik meende alleen te moeten opmerken, waar hij sprak van „fanfaregeschetter", dat zijn rede van meer dan anderhalf uur lengte over een onderwerp, waarvan hij de beginselen niet voldoende machtig was, van begin tot einde een fanfaronnade mocht heeten.

Vooreerst had die afgevaardigde zich begeven op historisch en chronologisch gebied, waarbij hij al dadelijk allerlei vergissingen had begaan. Om één er van nog even te redresseeren, de Minister, die indertijd mij opdroeg naar Indië te gaan voor het onderzoek van de jaren 1913 en 1914, was geweest de Heer De Waal Malefijt. Wat verder de meer zakelijke opmerkingen betrof, waarover ik in verband met het reeds vergevorderd uur eveneens zeer kort zou zijn, de Heer Mendels had betoogd, dat de mij destijds gegeven opdracht veel verder ging dan tot hetgeen thans geleverd was. In werkelijkheid was daarvan geen sprake, wèl van het tegendeel. Ook van mijne zijde moest ik voorts bepaald verzekeren, dat verleening van autonomie en zelfbestuur aan gewestelijke en plaatselijke organen ook bij dat onderzoek geenszins verwaarloosd was. Zooals door den Heer Idenburg reeds duidelijk werd gemaakt, was de oorzaak van het verschil tusschen de voorstellen van dien tijd en de huidige voorstellen in hoofdzaak te zoeken in den loop der gebeurtenissen in het ook ten aanzien van de politieke ontwikkeling van Indië zoo merkwaardige tijdvak 1914-1922.

De Heer Mendels had betoogd, dat ook thans wel met de decentralisatiebepalingen van het jaar 1903 volstaan had kunnen worden. Dit punt was m.i. zoo duidelijk door den Heer Idenburg behandeld, dat ik niet verder daarop behoefde in te gaan. Waartegen ik echter nog wèl moest opkomen, was de voorstelling, mede van den Heer Mendels vernomen, dat het in de bedoeling van het ontwerp zou liggen, om ten aanzien van autonomie en zelfbestuur zoo weinig te geven, dat het eigenlijk geen naam mocht hebben. Hoe die geachte spreker tot deze eigenaardige opvatting was gekomen, lag voor mij in het duister. Immers, wanneer dat inderdaad mijn wensch was geweest, zou ik toch niet er aan gedacht hebben de onderwerpelijke voorstellen in te dienen, maar de zaak rustig hebben laten liggen.

Dat het ambtelijk bestuur daarnaast nog langen tijd een plaats van beteekenis in Indië zou blijven innemen, ruimer en over het

Sluiten