Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

mededeelde i), dat hij in dit stadium der gedachten wisseling begrijpelijkerwijze niet komen zou met argumenten tegen het wetsontwerp, doch zich bepalen zou tot een korte verklaring ter motiveering van zijn stem.

In hoofdzaak — zoo vervolgde spreker — kon hij zich vereenigen met de argumenten, door Mr. Mendels ontwikkeld. Er bestonden bij hem nog meer bezwaren, maar die, door evengenoemden afgevaardigde genoemd, waren z.i. afdoende.

Bovendien was spreker het eens met de bedenkingen der in den loop dezer aanteekeningen meer dan eens genoemde hoogleeraren, uitmakende de als zoodanig aangeduide „Leidsche School", en van verschillende andere door hem genoemde opponenten in woord en geschrift. Hij onderschreef in het algemeen al die uitingen, tegen het wetsontwerp gericht, waarvan een overzicht was gegeven in de verzameling: „Naar aanleiding van het ontwerpbestuurshervorming", overgelegd door de Heeren Abendanon c.s.

De bezwaren, die hij indertijd zelf in de af deelingen had ontwikkeld, achtte hij niet ontzenuwd.

Waar dit alles het geval was, zou het naar sprekers meening geen nut hebben of gehad hebben, de Vergadering op te houden met andermaal zijnerzijds deze bezwaren voor te brengen.

Nu hij zich vereenig de met de bovenbedoelde inzichten en ook van oordeel was, dat het wetsontwerp aan een gezonde staatkundige ontwikkeling van Indië eerder in den weg stond dan bevorderlijk was, kon hij zijn stem niet daaraan geven. Hij was evenwel bereid te volstaan met daarvan aanteekening te vragen in de notulen, hetgeen hij bij deze deed.

Het Kamerlid Mr. Mendels gaf alsnog te kennen 2), in dezen Mendels. stand van het debat zich te willen onthouden van repliek, hoewel hij in zijn parlementair leven zelden zich zulk een zelfbedwang had moeten opleggen om niet te repliceeren.

Hij zou alleen vastleggen, dat hij in eersten termijn maar enkele grepen had gedaan uit het ontwerp. Hij zweeg bijv. over het gewestelijk bureau en in hoever de Gouverneur dan wel de Provinciale Raad daarmede geoutilleerd zou worden.

Discussie met den Minister achtte hij vruchteloos. De Minister

1) Handelingen a. v., blz. 370.

2) Handelingen a. v., blz. 370-371.

Sluiten