Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIENDE HOOFDSTUK

MAATREGELEN TOT UITVOERING DER WET OP DE BESTUURSHERVORMING

§ 1. ALGEMEEN OVERZICHT VAN DE HERVORMING

Decentraüsa- „Op breeder grondslag dan in 1903" — met deze woorden opent meervermeld handboek van den Hoogleeraar Mr. Kleintjes over het Indisch Staatsrecht zijne paragraaf over de Bestuurshervorming i) — „heeft de wet op de bestuurshervorming in 1922 aan de decentralisatiegedachte uiting gegeven, mede in verband met het verlangen naar een nieuwe indeeling van het gebied van Indië in eenheden van grooteren omvang dan de toen bestaande gewesten.

Niet, in de kern der zaak, op vergrooting van het gewest was dat verlangen gericht, maar op verhooging der bestuurscapaciteit, die, gegeven de beschikbare middelen, alleen bereikbaar was door inkrimping van het aantal gewestelijke eenheden, met uitbreiding dus van den omvang dier eenheden. Alleen langs dien weg zou voor den Indischen Archipel bereikbaar zijn, hier vroeger, daar later, eene groepeering in een zeker aantal territoriale rechtsgemeenschappen, voorzien van de noodige uitrusting voor een krachtig provinciaal bewind en als zoodanig in staat om een vruchtbaar zelfstandig bestaan te voeren. Tegelijkertijd bedoelde het stelsel schepping, in het aldus te verkrijgen krachtig provinciaal verband, van kleinere plaatselijke gemeenschappen, welke in haar meer beperkt gebied eveneens zooveel mogelijk tot zelfstandige bestuursvoering geroepen zouden zijn.

In die gebiedsdeelen, waar het algemeen peil van maatschappelijke en economische ontwikkeling voor het oogenblik een zoodanig „provinciaal" bestaan nog niet gedoogde, zou het gewest voorloopig worden ingesteld als „gouvernement", zonder vertegen-

') Vijfde uitgave, tweede deel, blz. 15.

Sluiten