Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UITVOERING DER WET OP DE BESTUURSHERVORMING

woordigenden bestuursraad doch alleen, waar dit mogelijk zou blijken, als overgangsvorm tot den provincialen status voorzien van een adviseerenden gewestelijken raad.

Deze geheele hervorming zou gepaard gaan met een ruime afwenteling van ambtelijke bevoegdheden van den Landvoogd en de Hoofden der departementen van algemeen bestuur op de Hoofden van provincies en gouvernementen; verder op de locale bestuurders.

Voor de „gouvernementen", welke derhalve vooralsnog in beginsel in de vroegere rechtsverhoudingen zouden verkeeren, bleef niettemin als zoodanig de gelegenheid geopend tot decentralisatie van bestuur op den grondslag der wetgeving van het jaar 1903 (In- —

disch Staatsblad No. 329), welke in haren algemeenen opzet meer het karakter droeg van een financieele decentralisatie.

De krachtens die wet in het toenmalig Regeeringsreglement ingelaschte artikelen 68a, 68b en 68c van die strekking bleven tot dit doel in de Wet op de Staatsinrichting van Nederlandsch-Indië,

welke op 1 Januari 1926 in werking trad, met enkele wijzigingen van ondergeschikte beteekenis als artikel 123-125 gehandhaafd.

Terecht merkte de hierboven genoemde Hoogleeraar in zijn Vroegere

•• v-i. i . , ii • i vnnrhfirpirlinfr

iianuuueK veruei up ^uiz,. 10 a. v.j, aai aan ue LUL5ia.iiuK.ummg uei wet van 1922, de wet op de „Bestuurshervorming" zooals zij in de practijk werd geheeten, een jarenlange voorbereiding was voorafgegaan. In de vorige hoofdstukken van deze aanteekeningen heeft de geschiedenis van die voorbereiding in den breede behandeling gevonden.

„De in 1914 door den Regeeringscommissaris De Graaff voorgestelde bestuursreorganisatie met instelling van gouvernementsen regentschapsraden, zonder toekenning van medebewind" — luidde het verder ter evenvermelder plaatse — „vond ernstige bestrijding, vooral door Mr. Van Deventer en had geen succes".

Juist was ook deze mededeeling, voor zoover zij betrof het feit der bestrijding door den Heer Van Deventer, wiens oppositie in de Staten-Generaal naderhand door zijne staatkundige partij met onverminderden ijver is voortgezet, tot schade voor een gereede doorvoering van die voor Indië zoo noodige hervorming. Niet juist daarentegen was de voorstelling, als zou bij de in 1914 ontworpen reorganisatie onthouding van medebewind zijn bedoeld.

Sluiten