Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DE BESTUURSHERVORMING

door den Indischen ordonnantiewetgever wenschelijk is; dat instelling van regentschapsraden inmiddels zou kunnen geschieden op den grondslag der decentralisatie-wetgeving 1903; dat het gewenscht is een onderzoek te doen instellen naar de ervaringen, opgedaan met de bestuurshervorming in West-Java, en naar de daarbij gebleken bezwaren; dat de bij den brief van den Minister van Koloniën van 9 Maart 1928 aan de Kamer overgelegde nota omtrent de werking van de bestuurshervorming in West-Java de wenschelijkheid van een nader onderzoek bevestigt, noodigt den Minister van Koloniën uit met den Gouverneur-Generaal in overleg te treden omtrent de instelling van eene, niet uitsluitend uit ambtelijke leden bestaande, commissie tot het uitbrengen van rapport op zoo kort mogelijken termijn over de ervaringen, verkregen met de provincie West-Java, en gaat over tot de orde van den dag".

. Deze motie, ondersteund wordend ook door den toenmaligen partijgenoot van het Kamerlid Joekes, den Heer Marchant, werd verklaard een onderwerp van beraadslaging te kunnen uitmaken.

Wat ook op de gebezigde argumenten zelve aan te merken viel, de verdienste van zekere bedrevenheid in den algemeenen opzet was aan de motie niet te ontzeggen. Neemt men voorts in aanmerking, dat het Kamerlid Joekes op het punt stond zich naar Indië te begeven, dan is het stellig niet te veel gezegd — om weder met den Hoogleeraar Mr. Kleintjes ') te spreken — dat door het indienen van de onderwerpelijke motie de verdere doorvoering van de bestuurshervorming werd bedreigd. Met de stemming over deze motie, welke aan het einde der vergadering bepaald werd op Dinsdag 27 Maart, zou inderdaad over het lot der bestuurshervorming in groote mate worden beslist.

Onder deze omstandigheden achtte ik het mijn plicht, stappen te doen tot verijdeling van de bedoeling, waartoe ik mij in verbinding stelde met de dagbladpers en met verschillende personen van parlementairen invloed.

De uitslag overtrof de beste verwachtingen. Dinsdagmiddag, den dag der stemming, ontving ik uit het gebouw der Tweede Kamer de mededeeling van de verwerping der motie-Joekes met een meerderheid van 51 tegen 32 stemmen, onder welke laatste die van slechts vier leden der Katholieke partij, welke overigens

i) Handboek a. v., deel II, blz. 25.

Sluiten