Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAATREGELEN TOT UITVOERING DER WET

het voorstel van den Voorzitter werd aanvaard, om de verdere behandeling te schorsen tot na de algeheele afhandeling van de Indische begrootingsvoorstellen.

we^fngtier ver" ontvangst der stenogrammen van den dag had ik gelegen-

schiipunten.) heid de wenschen van liberale zijde, van welke ten slotte de houding van die Kamerfractie afhankelijk zou zijn, rustig te overzien. Te meer was mij dit mogelijk, waar ik inmiddels van den Heer Knottenbelt eene aanteekening had ontvangen ter verduidelijking van zijne bedoelingen.

De stand van zaken was in het algemeen deze. Aan den eenen kant stond het belang, inderdaad de noodzakelijkheid, eener verdere doorvoering van de bestuurshervorming. Daartegenover stond eene talrijke oppositie, die bij de eindbehandeling hare uiterste krachten zou inspannen om met behulp van anderen, met name van de Christelijk-Historische partij en den Vrijheidsbond, aan de Regeering den voet dwars te zetten. Het was mijn plicht, onder die omstandigheden het uiterste te beproeven om, zonder het hervormingsplan te ontwrichten, de verhoudingen in een gunstiger aspect te brengen. Te meer bestond hiertoe reden waar ik de overtuiging had, dat bij den Vrijheidsbond en in de eerste plaats bij den Heer Knottenbelt in niet mindere mate het ernstig verlangen aanwezig was, om tot overeenstemming te komen.

Zooals de ontvangen aanteekening duidelijk deed blijken, loste het geschilpunt, in korte woorden samengevat, zich op vooreerst in een quaestie van ambtelijke nomenclatuur en voorts in den wensch van handhaving der functie van „hoofd van plaatselijk bestuur" voor den Europeeschen bestuurder der onderafdeelingen in de Buitengewesten. Wat de eerste quaestie aanging was het van geen zakelijk belang, door welke namen de toekomstige lagere bestuursressorten en bestuurders ambtelijk zouden worden aangeduid, mits slechts die benamingen in haar onderling verband in het stelsel van gezagsverdeeling pasten en in de Indische maatschappij een verstaanbaren klank bezaten. Wat het tweede punt betrof, was de reëele beteekenis van een al of niet worden aangeduid als „hoofd van plaatselijk bestuur" in werkelijkheid eveneens niet overwegend.

Als zoodanig fungeerde in de lagere ressorten der Buitengewesten de hoogste gezagvoerende ambtenaar van het Binnenlandsch

Sluiten