Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DE BESTUURSHERVORMING

kijken om te onderzoeken of zij inderdaad een stroohalm was, dan wel of er nog meer achter zat. Schorsing zonder meer wilde hij dus met aandrang voorstellen en wanneer de Kamer daarmede niet wilde meegaan, zouden hij en enkele zijner fractiegenooten hun stem niet aan het wetsontwerp kunnen geven.

Niet alzoo het anti-revolutionnair Kamerlid Dr. Beumer, die verklaarde te willen uiteenzetten, om welke reden hij zijn stem niet aan de motie-Joekes zou geven. Spreker wees terecht er op, hoe de oppositie, naar aanleiding van een in de plannen aangebrachte wijziging, kwam van die zijde der Kamer, welke met of zonder de nadere verklaring van den Minister toch niet bereid was met het wetsontwerp mede te gaan, hoewel de Volksraad dit met groote meerderheid had aangenomen. Het beroep, door die leden gedaan op de omstandigheid, dat de Kamer een beslissing zou nemen over een zaak, waarvan de Volksraad niet zou zijn gesaisisseerd, maakte daarom niet veel indruk op hem. In de tweede plaats was het niet juist, dat de Minister door zijn verklaring een nieuw element in de zaak had gebracht. Dit element was door den Heer Knottenbelt, die naar sprekers meening daaraan veel meer waarde toekende dan de zaak bezat, zeer duidelijk in zijn rede behandeld, reeds in eerste instantie, zoodat ieder lid der Kamer, dat aan de discussie deelnam, gelegenheid had gehad in eersten of tweeden termijn zich daarover uit te spreken. De Heer Knottenbelt was voortgegaan op dit element de aandacht te vestigen door tijdens de repliek van den Minister herhaaldelijk interrupties te plaatsen. Die afgevaardigde had dus als het ware van het begin tot het einde der beraadslaging deze zaak in het debat gebracht. Voor de Kamer was er alle gelegenheid geweest om daarop te letten en zich er over uit te spreken. Onder die omstandigheden gevoelde spreker geen neiging om zijn stem te geven aan een motie tot schorsing van de beraadslaging.

Ter adstructie van dit, aan uiterst-linksche zijde door luide interrupties verstoord, klemmend betoog van den Heer Beumer verklaarde ik andermaal te willen constateeren, dat de bewuste zaak niet behoorde tot de essentialia van het hervormingsplan. Zij kwam, zeide ik, feitelijk neer — de titulatuur-quaestie daargelaten — op de vraag, of de bestuursambtenaar in de onderafdeeling al dan niet zou zijn hoofd van plaatselijk bestuur. Ik merkte

Sluiten