Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DE BESTUURSHERVORMING

ten bij den Heer Janssen. De Kamer zou naar zijn inzien daardoor te kennen geven, zoo zacht mogelijk uitgedrukt, geen overwegend bezwaar te hebben tegen de voorgestelde richting der bestuurshervorming. Zonder beteekenis zou dus de stem der Kamer niet zijn. Dit bracht degenen, die met spreker zich eigenlijk als onbevoegd moesten beschouwen, om over deze zeer principieele maar toch ook hoogst technische zaak een oordeel te hebben, in niet geringe verlegenheid. In dergelijke omstandigheden was spreker geneigd de Regeering te volgen.

De instelling van drie groote gouvernementen ontmoette, naar spreker uiteenzette, bij hem geen bezwaar. Ten slotte met een enkel woord nog het denkbeeld-Knottenbelt besprekend, verklaarde de Heer De Savornin Lohman niet geheel het standpunt te begrijpen van den Minister, die de hem gestelde vraag, of niet de consequentie zou zijn, dat van versterking en uitbreiding van het Inlandsch ambtelijk bestuur op Sumatra geen sprake meer zou kunnen wezen, weerlegd had met een beroep op een passage uit zijn Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer, betreffende overdracht van werkzaamheden van het Europeesch op het Inlandsch Bestuur, daaraan toevoegende: „de tijdens de behandeling in de Tweede Kamer aanvaarde wijziging doet aan het hier uiteengezette standpunt geen afbreuk".

Spreker zou zijn stem aan het wetsontwerp niet onthouden. Dit echter, om een handelsterm tegebruiken „volkomenvrijblijvend". Eerst als het wetsontwerp, waarbij de gelden voor de uitvoering werden aangevraagd, vóór de Kamer lag, zou men precies weten, waar men aan toe was.

Een andere afgevaardigde der Christelijk-Historische Kamerfractie, den Heer Ter Haar, kwam ten slotte nog met een enkel woord verklaren, dat juist omdat het hier een beginseluitspraak was en de stem der Kamer ook naar zijne meening wel degehjk beteekenis had, het hem goed voorkwam, niet vóór het voorstel te stemmen.

In mijn repliek stelde ik voorop, dat ik voor de beschouwing der gemaakte opmerkingen geheel binnen het kader zou kunnen blijven van de Memorie van Antwoord.

Ten aanzien van de vraag nopens de beteekenis van het votum der Kamer wees ik op de beschouwingen van den Heer De Savor-

Sluiten