Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BEGRIP „LEVEN" VERDIEPT

honderdjarige sterven en wie zondigt, zal, honderd jaar oud, vervloekt worden. Natuurlijk wordt hier in aardsche begrippen over de toekomstige heerlijkheid gesproken. In werkelijkheid sterft niemand meer op de nieuwe aarde. Ook is daar geen zonde meer. Daar is de ongebroken levensheerlijkheid, die hier geleerd wordt in de beelden: niet een zuigeling van weinig dagen is daar en ook niet een grijsaard, die z'n dagen nog niet vol maakte. De vroegstervende jongeling, beeld van levensgebrokenheid, komt daar niet voor. Zoo wordt het eeuwige leven gezien als een heel lang leven.

Op de pleinen van het herbouwde Jeruzalem zullen (Zach. 8:4) oude mannen en oude vrouwen zitten en ieder zal zijn stok in de hand hebben vanwege de veelheid der dagen.

Zoo is dus het lang leven op de aarde een groote zegen van God. Maar al is tijdelijk leven op zichzelf al een zegen, de Israëliet erkent een nauw verband tusschen het aardsche, het nationale leven èn het geestelijke leven. Heel sterk komt die samenhang uit in 1 Sam. 26 : 19, waar David zich bij Saul beklaagt, dat hij wordt uitgestooten buiten het erfdeel des Heeren, wat gelijk staat met de opwekking: „Ga heen, dien andere goden."

Het begrip „leven" verdiept.

Waarlijk leven voor den Israëliet is leven in gemeenschap met Jahwe. Al openbaart zich het geluk van deze gemeenschap ook in een uitwendig, gelukkig bestaan (wonen in het eigen land, van God ontvangen, waar Hij Zijn heiligdom heeft; wonen temidden van zegeningen voor het gewone, natuurlijke leven), het wezen van dit geluk zit in het bezit van geestelijke goederen, de gemeenschap met God, het vertrouwen op den Heere, den band aan Jahwe.

Daardoor wordt de beteëkenis van „leven" verdiept. De vreugde over het aardsche goed is een vreugde over het bezitten van God, Die dat aardsche goed schonk. Jahwe is de Bron van het waar-

Sluiten