Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GEEST VAN DEN MENSCH

hemelstreek, 1 Kron. 9 : 24. In verband met deze beteekenis moet genoemd die van levensrichting: een geest van verkeerdheid, Jes. 19 : 14, een geest van hoererij, Hos. 4 : 12; 5 : 4; een geest „des diepen slaaps", Jes. 29 : 10; een geest van onreinheid, Hos. 13 : 2.

Roeach beteekent ook energie, kracht; neiging, impuls. Die kracht kan tijdelijk verdwijnen: Gen. 41 : 8; 1 Kon. 10 : 5, of weer herleven, Gen. 45 : 27; Richt. 15 : 19; 1 Sam. 30 : 12. Daaruit is nu te verklaren de beteekenis van leven, levenskracht, levensgeest, Ezech. 37 : 8; Hab. 2 : 19.

Wanneer we nefesj en roeach naast elkander plaatsen, kunnen we de onderscheiding het best aldus aanbrengen: roeach is het levensprincipe, dat van de nefesj een levende macht. Hier nemen we dan nefesj in de beteekenis van persoon, individu, menschelijk wezen.

Maar het O. T. is geen wetenschappelijk handboek. Het spreekt de taal van het gewone leven, waarin de woorden vaak in meer dan één beteekenis worden gebruikt.

Zoo kan men niet altijd scherp de grens trekken tusschen de begrippen nefesj, geest en hart.

Wel doet men verstandig bij nefesj zoo min mogelijk aan ziel te denken, omdat de beteekenis van mensch, persoon, iemand overheerscht. Maar toch zijn er verschillende voorbeelden te noemen, waar nefesj een synoniem is geworden van roeach en inderdaad door „ziel" vertaald moet worden.

Zoo lezen we b.v. van Hanna, dat zij bitter was van nefesj d. i. van ziel, 1 Sam. 1 : 10; in Ps. 73 : 21 zegt de dichter, dat zijn hart in een zure, bittere stemming verkeerde en in Gen. 26 : 35 wordt meegedeeld, dat de vrouwen van Ezau voor Izaak en Rebekka een „bitterheid des geestes" waren.

Sluiten