Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VOORTBESTAAN VAN DEN MENSCH

niets ontvangen. Kan niets meer geven. Het hart staat stil. Uit dat binnenste komt geen besluit, of plan, of neiging meer op. Die doode mensch kan zich niet meer bedroeven, of zich vertoornen. Hij neemt niet meer deel aan dit aardsche leven. Er is geen verstand of wijsheid meer. De dooden weten niets, Pred. 9 : 5.

Het is duidelijk, dat hier alleen gesproken wordt over de onmogelijkheid voor de dooden om hier, m dit aardsche leven, op te treden.

Zij liggen slap, krachteloos neder.

Ze zijn refaïm!

Ze zijn beroofd van de levenskracht, den levensadem, den levensgeest, de levensheerlijkheid.

Wij verwerpen daarom zonder aarzeling de vertaling „schimmen" en sluiten ons geheel aan bij onze Staten-overzetters, die de voorkeur hebben gegeven aan de vertaling „dooden", „overledenen".

Het voortbestaan van den mensch.

We zullen later zien, hoe het O. T. duidelijk het voortbestaan van den mensch na zijn dood leert en hoe van de geloovigen gezegd wordt, dat zij komen tot de volle verzadiging van vreugde bij Gods aangezicht, dat de Heere hen tot Zich neemt.

Eenerzij ds zien we dus, dat het O. T. het volle accent laat vallen op de werkelijkheid en de vreeselijkheid van den dood.

Het leven alleen is heerlijkheid.

De dood is een straf op de zonde en is waarlijk niet begeerenswaard.

Anderzijds leert het O. T. ons even sterk, dat de levensband, die den geloovige aan zijn God bindt, ook door den dood niet kan worden doorgesneden.

De geest van alle ontslapenen, komt tot beschikking van God.

Hij zal over dien geest als Rechter oordeelen.

Sluiten