Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„INWENDIGE" EN „UITWENDIGE MENSCH"

Jan se kan dan ook onmogelijk zijn voorstelling consequent handhaven, want op bl. 83 van zijn Van Idolen en Schepselen zegt hij: „als de mensch zijn leven hier verliest, als zijn lichaam (de „mensch-buiten") wordt gedood, dan heeft hij zijn „ziel", zijn bestaan hier als levende ziel, verloren, maar als „inwendige mensch" („mensch-binnen") blijft hij leven „bij den Heere"."

Nu gaat dus niet heel de mensch het graf in, maar alleen de „mensch-buiten". De „mensch-binnen" gaat de heerlijkheid in. Maar daarmee haalt Jan se een streep door zijn stelling, dat de gansche mensch in het doodenrijk ingaat.

De „mensch-binnen" niet.

Het gewicht van deze zaak staat het wel toe, dat wij hier even een uitstapje maken naar het Nieuwe Testament.

„Inwendige" en „uitwendige mensch".

De apostel Paulus spreekt over „uitwendigen" en „inwendigen mensch". Prof. Greijdanus vat deze uitdrukkingen zóó op, dat elk mensch, ook de onwedergeborene een „inwendigen mensch" heeft (vgl. zijn Kommentaar op Rom. 7 : 22. Uitg. Van Bottenburg 1933, bl. 348). Wel voegt de hoogleeraar er aan toe, dat Paulus in Rom. 7 den inwendigen mensch neemt als wedergeboren. Ditzelfde kunnen we ook zeggen van Ef. 3 : 16. De versterking door den Heiligen Geest wordt alleen aan de wedergeborenen gegeven.

In de twee plaatsen in het N. T., waar de uitdrukking „inwendige" en „uitwendige mensch" gebruikt wordt, ziet „inwendige mensch" op den vernieuwden mensch, die deelt in de kracht van den Geest van Christus.

Zoo onderscheidt Prof. Dr J. A. C. van Leeuwen in zijn Kommentaar op Ef. 3 : 16 (Uitg. Van Bottenburg 1926, bl. 83) beide uitdrukkingen als volgt:

„De „uitwendige mensch" bedoelt niet maar den mensch naar

Sluiten