Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHIMMENRIJK?

Wanneer we lezen, dat de dooden afdalen naar de sjeool, kunnen we dit laatste woord gevoeglijk weergeven met graf.

Met nadruk moeten wij de meening, als zou er in Israël tweeërlei voorstelling geweest zijn, afwijzen.

Schimmenrij k ?

Zeer merkwaardig is, dat men voor de teekening van de sjeool, als het zeer diepe „schimmenrijk" wijst op Job 26 : 5 en op Jes. 14 en Ezech. 32.

Uit deze plaatsen zou blijken, dat Israël evenals al de oude volken wel terdege een schimmenrijk er op nahield.

Nu hebben wij boven al aangetoond, dat wij het beroep op Jes. 14 en Ezech. 32 zeer zwak vinden.

De profeten treden daar in het begripsalphabeth van de heidensche onderdrukkers en zeggen hun in hun eigen taal met beelden, die hun toespreken, het oordeel aan.

Wie dit niet erkent, moet tot de gedachte komen, dat Israël ook geloofde aan een godenberg. En wie vindt deze gedachte niet absurd?

Deze twee hoofdstukken moeten we uitschakelen, als wij nagaan, wat het specifiek-Israëlietische geweest is in de opvatting van de sjeool.

Hoe staat het nu met Job 26 : 5?

In de Statenvertaling lezen we: „De dooden zullen geboren worden van onder de wateren en hun inwoners."

De vertaling van dit vers staat allerminst vast. Persoonlijk geven wij de voorkeur aan de volgende weergave: „De dooden krimpen voor Hem weg onder het water en zijn bewoners."

De bedoeling van Job is dan een aanvulling te geven op de beschouwing van Bildad in 25 : 2—5. Job zegt dan: ge moet niet alleen wijzen op den hemel, maar ook op de doodenwereld. De

Dood en opstanding 4

Sluiten