Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHIMMENRIJK?

dooden krimpen voor Hem weg, ze vluchten onder het water met zijn bewoners, als Gods spreekt door stormen en aardbevingen.

Hier wordt dus niet gezegd, dat de sjeool onder den „oceaan" is. Over dien oceaan wordt in het geheel niet gesproken. We hebben daar een vrij fantastische, dichterlijke teekening om aan te geven, hoe groot zelfs in de doodenwereld het ontzag is voor Jahwe. Maar dan kunnen we voor deze spreekwijze van Job aanhalen het woord van Prof. Aalders (De Goddelijke Openbaring, bl. 196) :

„Natuurlijk spreekt het vanzelf, dat een dergelijke uitdrukking in den mond van Job niet gezaghebbend is, en noch ons geloof, noch ons wetenschappelijk inzicht bindt."

Dat Job spreekt over de sjeool, als een land van duisternis, behoeft ons niet te verbazen, als we bij sjeool aan graf, spelonk, grafkelder, diepte onder den grond, denken.

Daarbij is het vooral te doen om de tegenstelling aan te geven tusschen het „land der levenden" hier en de doodschheid van het graf.

De sjeool is de doodenwereld. Bij die doodenwereld dacht de Israëliet in de eerste plaats aan het graf, zooals dat in de diepte der aarde is; daarna aan de grafkamer of den grafkelder.

Maar het individueele graf staat niet op zichzelf. Het vormt één geheel met de graven van anderen.

Zoo wordt het één doodenwereld.

Wie sterft, gaat in den staat des doods.

Gaan naar de doodenwereld, behoort niet tot het land der levenden, maar tot de dooden, en uit de dooden zal hij opstaan.

Evenmin als het O. T. spreekt van „schimmen", evenmin treffen we daar de leer aan, dat er een „schimmenrijk" is.

Deze gedachte moeten we geheel loslaten.

Ze wordt door niet één plaats uit het O. T. gesteund. De Israëliet had slechts vage voorstellingen aangaande het leven na den dood. De openbaring, die God geeft, doorloopt een bepaalde ontwikke-

Sluiten