Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONTSTAAN VAN HET GEMEENTEBEDRIJF

Beoordeeling van de bepaling.

Verhouding gemeente tot het vrije bedrijf.

sionaris. Betreft het eene onderneming, die voor de ontwikkeling van de hulpbronnen der gemeente van hoog gewicht is, maar die te onzeker is dan dat een particulier ze kan beginnen, dan kan het geraden zijn, dat de gemeente, liever dan aan een ander geldelijken steun te geven, de zaak zelve ter hand neemt, in het vertrouwen, dat daardoor de welvaart en de draagkracht der ingezetenen in het algemeen zal toenemen. In deze en soortgelijke gevallen valt het algemeen belang der gemeente bij gemeentelijke exploitatie in beginsel niet moeilijk aan te toonen."

„Nooit echter kan het algemeen belang er bij gebaat zijn, wanneer de middelen der gemeente worden gebruikt om aan het vrije bedrijf eene concurrentie aan te doen, die wegens de feitelijk onbeperkte geldmiddelen, waarover de gemeente kan beschikken, niet anders dan doodend is. De wet behoort dan ook de grenzen aan te wijzen, binnen welke het der gemeente geoorloofd zal zijn als exploitante van bedrijven op te treden."

Het wetsontwerp is door den opvolger van Kuyper, Minister Rink, vervangen door een, waarin het gemeentelijk bedrijfsbeheer niet aan grenzen werd gebonden.

Toch verdienen deze voorgestelde bepaling en haar motiveering de aandacht. Het artikel was een ingenieuze poging om het toelaatbaar geachte terrein van gemeentelijke bedrijfsexploitatie te omschrijven: de bedrijven, waarvoor de openbare straat moet worden gebezigd en die licht in een monopolie-positie geraken, en voorts bedrijven ten dienste van landbouw, nijverheid en handel, dus niet rechtstreeks ten dienste van de burgers als consumenten. Dergelijke omschrijvingen zijn steeds gevaarlijk, omdat zij door den te exacten tekst bij veranderde omstandigheden de bedoeling van de bepalingen voorbij kunnen schieten. Zoo zouden om eenige voorbeelden te noemen, indien het ontwerp-Kuyper tot wet ware verheven, geen gemeentelijke grond- en woningbedrijven en geen gemeentelijke spaarbanken hebben kunnen ontstaan en daarvoor zijn toch in vele gevallen gegronde redenen aan te voeren.

Is het daarom gelukkig, dat het ontwerp geen wet is geworden, de motiveering van de bepaling wijst naar mijn meening in de richting van een wenschelijke begrenzing. Volgens de motiveering

Sluiten