Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRIVAATRECHTELIJKE ORGANISATIEVORMEN

(artikel 167), moeten bij een privaatrechtelijke organisatie de bevoegdheden aan den Raad speciaal worden toegekend en dit heeft de strekking die bevoegdheden beperkter te doen zijn dan de macht van den Raad ten aanzien van publiekrechtelijke gemeentebedrijven.

Mijn conclusie is, dat in groote lijnen de invloed van den Raad op het beheer van privaatrechtelijk georganiseerde bedrijven verzekerd blijft, doch dat deze in onderdeelen geringer pleegt te zijn dan bij de publiekrechtelijk georganiseerde bedrijven.

Positie van Minder voor de hand ligt, dat ook de macht van Burgemeester en Wethouders bij een privaatrechtelijk georganiseerd bedrijf in het algemeen kleiner zal zijn dan bij een publiek gemeentebedrijf. Aan het College van B. en W. immers zal allicht de positie van den Raad van Beheer der n.v. worden toegedeeld en daarin zullen B. en W. practisch dezelfde bevoegdheid hebben, die zij ook in hun publieke hoedanigheid als bedrijfsbeheerders zouden bezitten.

Verhouding Wel is betoogd, dat het verschil in organisatie tot een eenigszins

directeur. andere verhouding tusschen B. en W. en den bedrijfsdirecteur kan leiden. Volgens Wibaut, die een tegenstander was van den vennootschapsvorm voor gemeentebedrijven, zou daarbij het gevaar voor conflicten tusschen den directeur en B. en W. grooter zijn. „Indien toch zulk een directeur geen ledepop is, en de voorstanders van den vennootschapsvorm moeten op den voorgrond stellen, dat hij dat niet is, dan zal hij er op staan in de eerste plaats te dienen het belang van het bedrijf als zoodanig, veelal gezien uit het oogpunt van geldelijke uitkomsten. Voor het ten opzichte van het bedrijfsbeheer tegenover den Raad verantwoordelijke College van Burgemeester en Wethouders, gelden zonder twijfel deze geldelijke uitkomsten als zeer belangrijk. Maar daarboven moet voor hen staan, sterker moet gelden voor hen, de eisch, dat het bedrijf voor de gemeente als geheel het grootst mogelijke gerief biedt. Gesteld dat bij den beheersvorm van rechtstreeksche exploitatie, zulke verschillen van inzicht tusschen Directeuren en Burgemeester en Wethouders zich voordoen, dan behoeven zij niet tot conflicten te leiden, leiden zij niet tot conflicten, wijl de Directeur dan het standpunt kan innemen, dat, indien Burgemeester en Wethouders in zulke aangelegenheden

Sluiten