Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRIVAATRECHTELIJKE ORGANISATIEVORMEN

de oprichting van naamlooze vennootschappen de goedkeuring van Gedeputeerde Staten zou behoeven. Ook zij begint met een buiging voor den publiekrechtelijken vorm, doch zij acht een volstrekt verbod van den privaatrechtelijken vorm niet zonder bezwaar. „Het is — aldus de Commissie *) — bij de thans bestaande onzekerheid inzake de ontwikkeling van het bedrijfsleven, denkbaar dat daarbij aan samenwerking van openbare lichamen, of ook van overheid en particulieren, meer en anders dan tot dusver behoefte zal worden gevoeld. Nu is het waar, dat dergelijke gemengde bedrijven niet door een verbod als hier bedoeld zullen worden getroffen, doch anderzijds vertoonen zij een zoo nauw aan de intercommunale vennootschappen verwant beeld, dat daarnaast een volstrekt verbod van deze laatste moeilijk is te rechtvaardigen." Wel verwachtte de Commissie van de verruiming van de wetsbepalingen inzake gemeenschappelijke regelingen, dat de behoefte aan het kiezen van den vennootschapsvorm in de meeste gevallen veel minder zou bestaan dan tevoren. Zou echter de privaatrechtelijke vorm in een bepaald geval de meest aangewezene zijn en zou hij blijken voordeel te bieden, die een andere wijze van samenwerking mist, dan mocht naar het oordeel der Commissie de wet niet door een absoluut verbod de ontwikkeling in dien zin tegen gaan.

Het wetsontwerp-Ruys de Beerenbrouck van 1923 nam ook op dit punt de voorstellen der Staatscommissie geheel over.

Wetswijziging Het ontwerp, dat tenslotte in 1931 wet is geworden, is echter meer teruggekomen tot de gedachte van het ontwerp-Cort van der Linden. Geheel en al weren wilde het de privaatrechtelijke vormen (allengs had ook de stichtingsvorm naast de naamlooze vennootschap op dit terrein beteekenis gekregen) niet. Zooals de Memorie van Toelichting het opmerkte: „Men zou, door haar te verbieden, te zeer ingrijpen in wat de practijk van het gemeenschapsleven en inzonderheid van het openbaar bedrijfsleven als nuttig heeft aangewezen, en het doel voorbij streven. Slechts moet men de privaatrechtelijke figuur als een figuur op het tweede plan, of sterker gezegd, als een uitzondering op den regel beschouwen en ook als

x) Verslag blz. 28 en 29.

Sluiten