Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRIVAATRECHTELIJKE ORGANISATIEVORMEN

De practijk heeft ook naar mijn meening geleerd, dat de naamlooze vennootschap als rechtsvorm voor een publiek bedrijf niet als onbruikbaar is te beschouwen.

Het zou evenwel onjuist zijn te meenen, dat met den vennoot- Welk voordeel schapsvorm voor de gemeente of de gemeenten, die zich daarvan ^?de N V' bedienen, alle juridische consequenties van dien vorm kunnen worden verkregen.

Prof. Van der Heijden ') noemt als motieven voor de oprichting van een naamlooze vennootschap de begeerte naar een of meer der volgende voordeelen: 1° beperking van de aansprakelijkheid van de eigenaars der onderneming tot hun aandeel in het daaraan toevertrouwde kapitaal, 2° gemakkelijke vervreemding en bezwaring door den enkelen aandeelhouder van zijn belang, 3® juridische en organisatorische zelfstandigheid van de onderneming, 4° continuïteit der onderneming door haar onafhankelijkheid van de persoonlijke lotgevallen van den eigenaar, 5° vergrooting daardoor van de mogelijkheid derden, met-aandeelhouders, geldelijk bij de onderneming te interesseeren, 6° meerdere bewegingsvrijheid tegenover den fiscus.

Na wat in dit hoofdstuk is uiteengezet, is het duidelijk, dat het derde voordeel, de juridische en organisatorische zelfstandigheid van de onderneming, voor de gemeenten van het meeste belang is.

Een enkele maal kan ook de mogelijkheid van vervreemding van de aandeelen voor het verkiezen van den vorm meespreken, maar de overige voordeelen zijn voor de gemeenten practisch van geen beteekenis. De continuïteit der onderneming is bij een publiekrechtelijken organisatievorm evenzeer verzekerd.

Meerdere bewegingsvrijheid tegenover den fiscus heeft de ge- De gemeentemeente, die buiten het bereik van inkomsten- en vermogensbelas- e"

tingen valt, niet van noode. Integendeel brachten aanvankelijk de gemeenten door den N. V.-vorm te kiezen den inbreng in de vennootschap en de uitkeenngen van de vennootschap onder den greep

*) Handboek, blz. 91.

Sluiten