Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE FINANCIEELE STRUCTUUR

levensduur kan zoo groot zijn, dat het beter is het activum tevoren buiten gebruik te stellen.

Door de voortschrijding van de techniek bestaat de mogelijkheid, dat het activum zal verouderen, zoodat het wenschelijk wordt het, voordat het versleten is, door een moderner productiemiddel te vervangen.

Wijzigingen in den afzet kunnen het activum vroegtijdig onbruikbaar of geheel of gedeeltelijk onnuttig maken. Bij sterke vergrooting van het debiet kan bijvoorbeeld een buizen- of kabelnet blijken te krap te zijn aangelegd, zoodat het door buizen of kabels met meer capaciteit moet worden vervangen.

Een vermindering van het debiet kan een deel van het productieen/of distributie-apparaat overbodig doen worden; de lasten van het overbodige deel kunnen dan wellicht bezwaarlijk door de overgebleven exploitatie worden gedragen.

Of en in welke mate deze factoren zich zullen voordoen, is tevoren niet te bepalen. Met de mogelijkheid van hun optreden moet echter rekening worden gehouden. Dit kan geschieden door een economischen levensduur van de activa aan te nemen, die ligt beneden den technischen levensduur, en de afschrijvingen naar dien korteren duur te regelen.

Periodieke Regelmatige herziening van de afschrijvingen kan bevorderen, herziening. tijdig nieuwe symptomen van wijzigingen m den gebruiksduur

in den afschrijvingsduur worden verwerkt. Nuttig is daarom de in vele beheersverordeningen vervatte bepaling, dat de afschrijvingspercentages om de vijf jaar moeten worden vastgesteld1).

Hoogte der Een algemeen oordeel over de hoogte der bij gemeentebedrijven afschrijvingen, ggjjgjjjg afschrijvingsregelen past allicht niet voor verschillende dier bedrijven. Met die beperking voor oogen waag ik het een algemeenen indruk weer te geven: deze is, dat bij de afschrijvingsregelingen de vermoedelijke technische levensduur der bezittingen in acht wordt genomen, maar dat daarbij weinig aandacht wordt

L) Voor de Staatsbedrijven is een herziening telkens na verloop van uiterlijk vijf jaren voorgeschreven (art. 8, lid 2 Bedrijvenwet 1928).

Sluiten