Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTEBEDRIJF EN ZIJN AFNEMERS

maken van winst gepaard kan gaan, zoodat het streven naar winst als secundair toelaatbaar kan worden geacht. Indien een zeer behoorlijke verzorging van de burgers met de diensten van het bedrijf bereikt wordt bij tarieven, die winst laten, handelt de Overheid toch niet in strijd met haar primaire taak.

En als het winstmaken principieel strijdig zou zijn met de positie van de Overheid, dan kan men met Mr. M. H. de Boer vragen 1):

„Moet de gemeente dan ook haar grondbezit gratis of misschien zelfs met een toelage aan den huurder in gebruik geven? Moet zij haar kapitaal beleggen in effecten, die geen uitzicht bieden op koersstijging?"

Indien deze consequentie met wordt aanvaard, waarom zou dan het winst maken als zoodanig voor de gemeentebedrijven, die ook tot het gemeentelijke vermogen behooren, taboe zijn?

Een opvatting, die beter gefundeerd lijkt, is die, volgens welke Bedrijfswinst de winst van gemeentelijke bedrijven als monopoliewinst zou zijn fls monopo~

li i i • • ï i Hewinst ontoe-

te beschouwen en als zoodanig niet toelaatbaar zou moeten worden laatbaar. geacht.

Dat de gemeentelijke bedrijven vaak geen absolute monopoliepositie innemen, laat ik bij een bespreking van deze opvatting liever terzijde. Hier neem ik aan, dat de winst van gemeentebedrijven wel een monopolistisch karakter draagt. Een onredelijke veronderstelling is dit niet, omdat de bedrijven, om wier winst de strijd in hoofdzaak wordt gevoerd, inderdaad in de gemeenten eenig in hun soort zijn: in de gemeente is slechts één gasfabriek, één electriciteitsbedrijf enz.

De monopohewmsten worden niet alleen veroordeeld, wanneer zij door overheidsbedrijven worden gemaakt. Het monopolie is in de kapitalistische maatschappij te zien als een inbreuk op het stelsel der vrije concurrentie. Van den Tempel geeft den gedachtengang duidelijk weer2): „Onder de werking van dit stelsel leveren de

*) Gemeentebestuur 1927, blz. 269.

) T.a.p. blz. 118, 119. Zelf pleit hij voor toepassing bij de gemeentebedrijven van het kostprijsbeginsel (behoudens een matige ondernemerswinst), omdat dit het eenige practische richtsnoer zou zijn in een gesocialiseerde maatschappij. Deze consequentie is niet actueel; ik laat haar dus verder rusten.

Sluiten