Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTEBEDRIJF EN ZIJN AFNEMERS

goede aanvulling op het stelsel der directe belasting te vormen, noodzakelijk moeten bezitten 1).

Wordt de gedachte van differentiatie van de tarieven naar de draagkracht aanvaard, dan zal niet kunnen worden volstaan met een reductie voor groote gezinnen, wier inkomen dan uiteraard beneden een zekere grens moet liggen. Minvermogenden zonder groot gezin, zooals ouden van dagen, zullen terecht eveneens op een reductie aandringen. Zoo vreesden B. en W. van Amsterdam, dat de vaststelling van gezinstarieven „aanleiding zou geven tot aandrang om ook andere omstandigheden, als ziekte, gebrekkigheid, werkloosheid enz. op de prijsbepaling van invloed te doen zijn; een aandrang waaraan, indien eenmaal een stap op dien weg is gezet, moeilijk weerstand zal zijn te bieden ).

Van meer beteekenis acht ik nog, dat over het geheel genomen op de levering aan minder draagkrachtigen bij een strikte kostprijsberekening niets of weinig wordt verdiend, zoo het bedrijf al niet op de levering aan hen toelegt. De bedrijfskosten, welke per aansluiting moeten worden berekend, zooals die van administratie, meteropneming en inning, drukken immers even zwaar op de aansluitingen van minder draagkrachtigen met weinig verbruik als op die aansluitingen, waarover veel wordt geleverd. Indien voorts een evenredig deel van de constante kosten in aanmerking zou worden genomen, zou vaak blijken, dat de kleine afnemers hun kosten niet ten volle goedmaken 3).

Bereiking Het eenige motief, dat naar mijn meening uit bedrijfsoogpunt

"rïmafre voor gezinstarieven althans in beginsel kan worden aangevoerd, bedrijf'sdoel. is, dat hierdoor de bereiking van het primaire bedrijfsdoel wordt bevorderd. Dat primaire bedrijfsdoel is de goede voorziening in de behoeften van de burgers aan het bedrijfsproduct.

Indien de normale tarieven de groote gezinnen in hun verbruik

1) Zie omtrent het gezinselement bij de belastingen het prae-advies van B. en W. van Nieuwer-Amstel, IV.G.B. 1934, blz. 103.

2) Gemeenteblad afd. I 1933, blz. 1911. ,

3) Zie de gegevens, welke de Utrechtsche wethouder, de heer H. Botterweg, mededeelt omtrent leveringen van de Utrechtsche gasfabriek aan kleine verbruikers, in zijn artikel over „Gezinstarieven voor gas en electnciteit , in De Magistratuur 1936, no. 139

Sluiten