Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTELIJK GRONDBEDRIJF

weg van de Woningwet openstaat. Dat standpunt, verdedigd door Lietaert Peerbolte in zijn commentaar op de Woningwet*), heeft de Regeering kenbaar gemaakt achtereenvolgens door een brief aan het gemeentebestuur van Rotterdam, een circulaire aan de Colleges van Gedeputeerde Staten en een Koninklijk Besluit van

7 Juli 1932 (Stbl. no. 329)2).

Uit de volgende overweging van dit besluit blijkt de motiveering van het standpunt:

„dat de wijze, waarop de gemeentebesturen de bebouwing van bepaalde terreinen kunnen regelen, is geregeld in de Woningwet (§ 7) en dat daarbij ook waarborgen zijn gesteld, zoowel met betrekking tot belangen van particulieren als voor een juiste behartiging van het belang der volkshuisvesting en wel:

tervisielegging van plannen c. q. ontwerp-voorschnften; gelegenheid voor belanghebbenden tot het inbrengen van bezwaren; goedkeuring door Gedeputeerde Staten, tegen wier beslissing beroep open staat;

dat aan die waarborgen, en daardoor ook aan de betrokken belangen, tekort wordt gedaan, indien een gemeentebestuur op het stuk van bebouwing van bepaalde terreinen voorzieningen treft op een wijze, waarbij die waarborgen ontbreken .

In een beoordeeling van de juistheid dezer opvatting treed ik niet 3). Aangezien zij nog steeds wordt gehandhaafd, hebben de gemeentebesturen met haar rekening te houden. Terecht hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland er op gewezen, dat de Woningwet geen bezwaar oplevert tegen privaatrechtelijke bepalingen omtrent hetgeen niet krachtens die wet kan worden geregeld 4). In zooverre blijft het voordeel van gemeentelijke grondexploitatie dus behouden.

x) 2e druk, 1935, blz. 54 en vlg.

2) Zie hiervoor W.G.B. 1931 blz. 388 en 1932 blz. 44 en 246.

3) Zie voor een behandeling van de kwestie en voor een overzicht van de destijds verschenen beschouwingen, welke bijna zonder uitzondering het standpunt van de Kegeering verwierpen, het rapport der Commissie, ingesteld door het Ned. Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw, Gemeentebestuur 1934, blz. 351 en vlg.

4) In hun Provinciaal Blad no. 21 van 1933 (gepubliceerd in W. G.B. 1933 blz. 84) hebben zij hiervan voorbeelden gegeven. Zie hierover ook Mr. J. in t Veld, Bebouwmgsvoorschriften in W.G.B. 1935, blz. 97.

Sluiten