Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONTWIKKELINGSTENDENZEN

31 December 1922 1927 1932 1936

Aantal gemeenten,

die zelf distribueeren 342 346 287 240

die het beheer van het distributiebedrijf

aan anderen hebben opgedragen . . . 246 136 106 102 waar een provinciaal bedrijf als concessionaris optreedt 40 325 533 580

waar een andere gemeente als concessionaris optreedt 56 81 113 113

De medegedeelde feiten geven stof tot een aantal vragen1). Productie- Dat in de stroomlevering voornamelijk door groote bedrijven concentratie. worc[t voorzien en dat dus de kleine bedrijfjes bijna geheel zijn verdwenen, is in overeenstemming met de mogelijkheden der techniek. De ervaring heeft geleerd, dat grootere centrales in het algemeen economischer produceeren dan kleinere. Door de vorderingen van de techniek wordt de optimale bedrijfsgrootte (de grens, waarboven het bedrijf minder economisch gaat produceeren) steeds verder omhoog geschoven 2).

Het platteland zou niet met stroomopwekkingsbedrijfjes op economische wijze kunnen worden voorzien. Het is begrijpelijk, dat de provinciën zich de behartiging van dit belang hebben aangetrokken en gewestelijke bedrijven tot opwekking en/of voortgeleiding van stroom hebben opgericht.

Behalve voor enkele steden is de productie van electriciteit niet meer een taak, welke gemeentelijke bedrijven kunnen vervullen. Daarbij hebben de gemeenten zich neer te leggen.

Geschiktheid Zijn echter de provinciën voor deze taak het meest geschikt? der provincie, pnnclpieele gronden is het betwist. Het provinciaal bestuur, in het bijzonder het dagelij ksch bestuur der provincie, heeft meer dan één functie. Het heeft de belangen, welke de provincie als haar eigene beschouwt, te behartigen. Dat is de zuiver provinciale

*) Zie hierbij o. m. de praeadviezen van Mr. Dr. H. J. Labberton, J. G. Bellaar Spruyt en Dr. E. A. Schoon, Gemeentebestuur 1926, blz. 205 en vlg. en de discussie op blz. 391 en vlg.

2) Gelissen en Snel, t.a. p. blz. 7.

Sluiten