Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

Weer was, onverhoeds in den nacht, de herfststorm gekomen. De stilgouden mijmering van den nazomer had hij uiteen doen spatten. Een enkele huivering en van dit brooze, stervensnabije was niets meer geweest.

Stance stond voor het raam van de tuinkamer. De

stofdoek hing langs haar neer een mal stuk lap,

wit-rood geruit, nu hij daar zoo verloren hing. Ze voelde in zich een warme en tegelijk kwellende onrust, die de matelooze wind in haar scheen op te stuwen, zooals de vloeden van de zee wel soms de golven hoog opstuwen in de rivieren. Ze keek met een vreemde, strakke gespannenheid naar de schepen, die aan de kade gemeerd lagen, onrustig rukkend aan hun kettingen. Ze hoopte fel en intens, dat de kettingen zouden breken. Ze wist niet waarom. Ze wist niet waartoe. Er was een onbewust verlangen in haar naar het matelooze, het wijd bewogene. Ze kende geen woorden voor haar onrust. Ze wist,

dat eerst de kettingen moesten breken en dan

Ze zag de opgejaagde gele bladeren in lage horden voortijlen over de kade. Gisteren hadden ze nog gelatenstil aan de boomen gehangen, een teeder belijnd mozaïk tegen het zonnig blauw van de lucht.

Ze zag de wolken, grauw en vervaarlijk en niet één oogenblik gelijk aan het vorige.

Sluiten