Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze zag de rivier als een dreigend, grommend volk van duistere golven met witte schuimkammen van

drift.

En het oude, het aldagelijksche: Oma, Papa, het strakke notariskantoor, waar het licht altijd te sterven scheen, Jetje .... de door Oma gekozen vriendin, .... de altijd eendere gang van een volkomen ordelijk en geregeld huishouden, zelfs het pas begonnen tapisseriewerk, dat een paradijsvogel zou voorstellen en waarvan

de helle kleuren haar een klein plezier geweest waren

van al dit voelde ze zich vreemd losgeslagen. Dit toch zoo heel gewone en overbekende scheen zonderlinger-

wijze „niet waar.'

En ergens aan een verren horizon daagde een nieuwe

vreugde, vormloos en onvatbaar en toch meer wezenlijk dan wat ze jaar in jaar uit gekend had en waarheen het matelooze in haar trok.

Ook andere jaren had het herfstelijk stormen haar onrustig gemaakt. Nu was het feller pijn, die evenwel moest kunnen uitvloeien tot de wonderbare zoetheid van een aankomen daarginds, in het verre . . . - het beloofde land. Deze pijn, deze onrust.... misschien was het heimwee .... als altijd deed ze Stance verlangen de onbewogenheid der stille, groote kamers, waar een heimelijke vijandigheid gehurkt scheen neer te zitten .... ginds .... hier overal in de schemerhoeken te ontvluchten naar boven, naar de zolderkamer, waar de verte meer nabij leek te zijn.

Sluiten