Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huzarenkapel speelde. In de pauze wandelde je over de grintpaden. Je had je nieuwe schotsche jurk aan met de vele strookjes en een zijden onderrok. Als je liep ritselde

het leuk .... of je rokken heimelijk en ondeugend

fluisterden. Jetje droeg een blauwe jurk. Het grint op de tuinpaden knarste onder de schuifelende voeten van de wandelaars. Er brandden niet zoo veel lantarens. Vlak achter hun kleinen lichtschijn begon een groot, zwart duister.

Een paar officieren, die je tegen kwam, keken heel

erg en Jetje lachte zooals je Jetje nooit eerder had hooren

lachen. En je kwam ze weer tegen en weer en telkens

praatte Jetje dan ineens heel hard en hoog. En je dacht:

Nu zijn we heusch groot. Dit is groot zijn, dit

flakkerende. Want zelf had je ook heller dan anders

gelachen en je vond het grappig en schaamde je tegelijk een beetje.

Later vergat je het weer en kwam het teruggaan door de hooge, duistere lanen van De Worp. Boven je ruischten de boomen, vreemd en nachtelijk, anders dan boomen overdag ooit ruischen konden. En ver, waar het licht van de lantarens niet meer reikte, hoorde je allerhande zachte, schuifelende, geheimzinnige geluiden. Als je alleen was geweest, zou het je heel bang gemaakt hebben. Nu hield je Jetjes arm en Papa liep achter je met meneer en mevrouw de Bie en andere menschen waren voor en achter je. Je was niet werkelijk bang nu en je wist ook wel: Het waren enkel maar de jongens

Sluiten