Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet de zonderlinge bijgeloovig-nerveuse angst, iets, dat aan oom Emile behoord had, te beroeren. Ze geloofde niet, dat oom Emile boos zou zijn, als hij wist dat ze naar zijn schilderijen keek. Het zouden wel leelijke schilderijen zijn, dacht ze. In ieder geval, ze waren heel anders dan de glimmend geverniste, gladde portretten van de Marensen en hun echtgenooten, die in de kamers beneden hingen. Ze leken ook niet op de stillevens met vruchten en gevogelte uit de eetkamer, ook niet op de landschappen, die een brugje of een waterval of een sneeuwgezicht voorstelden.

Ze waren niets dan water en lucht, deze schilderijen. Soms even de aanzet van een oever, een krib, het silhouet van een waterplant.... pijlkruid of zwanebloemen .... en verder water en lucht.

Dit had oom Emile willen schilderen, het transparante en het licht.... de flonkering, de glans, de klaarte. Soms was het wel bijna gelukt, dacht Stance. Soms zou je naar zoo'n klein paneeltje je koude handen willen uitstrekken om ze te warmen aan het licht, dat leefde.

Soms voelde ze zelf een verlangen verf uit de tubes op het schoongeboend palet te spuiten en te probeeren .... het licht en nog iets .... blijheid ? . vreugde ? .... dat, wat lokte aan den verren horizon?

Hoe kon je vreugde schilderen? Was het een kleur ? Ze

probeerde nooit. Licht ieder, die geleefd had in het

stervend licht beneden, moest wel verlangen gaan het tintelende, het levende licht te schilderen, dacht Stance.

Sluiten