Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK 2.

Nog eenmaal, na dezen ruigen inval van herfst, was de zomer teruggekeerd, weemoedig schoon en angstig stil, alsof een doode uit zijn graf was opgestaan, heimelijk, tegen den genadeloozen wil in, die het „dood" had uitgesproken. En alsof nu een ieder, die van dit ongehoorde wist, den adem inhield en in spanning wachtte op het vreeselijke, dat onvermijdelijk volgen moest. Zóó stil was het, zóó klaar straalde de hemel, zóó bewegingloos hingen de gele blaadjes aan de boomen. Slechts was het gouden inlegwerk, dat ze vormden tegen het hemelblauw, opener, speelscher, luchtiger van lijn dan voor den storm. De zomer glimlachte in onbegrijpelijk sereene onbewustheid. Maar de gele bladeren vielen, de een na de ander, al was er geen zuchtje van wind. En de lijdelijke, trage val van elk klein blad was als een verraad aan den stralenden, uit den dood herrezen zomer.

Stance zag naar het vallen van deze gele bladeren, zoo lijdelijk en zoo gelaten. Ze willen niet eens meer, dacht ze. Ze vinden het lang genoeg geweest. Ze laten zoo maar los en leggen zich neer op den grond. Het is, of ze heel moe zijn, te moe voor de blauwheid, te moe voor dit helle, stralende.

Zijn oude menschen als gele bladeren? Nee ... . o

Sluiten