Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij maakt deze opmerking tegen zijn moeder.

Ja, ja, knikt Oma en de gitten op haar hoedje knikken mee.

— Ziet u meneer —, snapt Jetje, — ziet u mevrouw? Dien man met dien gekken hoed ? Een kleinzoon van mevrouw Boudewijns. Ze zeggen, dat het een dichter is. Heb je gezien, Stance? Wat een hoed, hè? —

Jetje wordt knap, denkt notaris Marens. Maar Stance is verfijnder.

Zijn oogen blijven dof omfloerst als bij een ouden vogel. De vonk van interesse springt niet meer naar buiten.

Papa doet me aan testamenten denken, gaat het door Stance heen.

En dan rijden ze door De Worp. Hoe licht is het in de lanen nu de bladeren zoo ijl geworden zijn. Een gouden licht staat om hen heen .... een gouden wereld. Ze rijden expres een beetje om, nu ze toch het rijtuig hebben. Gedurig ritselt het in de dorre bladeren op den grond, hoewel er geen zuchtje van wind is. En nu en dan valt een geel blad van de boomen .... één en nog een en weer een. Telkens een klein verraad aan den stralenden, uit den dood herrezen zomer. De bladeren van de kastanjeboomen, die in de lente op toegeknepen kindervuistjes leken, zijn nu als in afweer gespreide, gele handen. Soms ploft in het dorre loof een kastanje dof neer. En blauw is de lucht en stralend de zon en het klare licht doet iedere verte nabij schijnen.

Sluiten