Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wingerd die tegen den witten koepel opklimt, is bloedrood.

Stance is met Jetje langs de kronkelende, door lage palmheggetjes begrensde paden gegaan. Achter den koepel, tusschen de dahlia's zit Antje, de binnenmeid, die vooruit was gestuurd om den koepel ordelijk te maken en voor thee te zorgen en de bladeren weg te vegen van de tuinpaden. Nu zit ze op een keukenstoel achter den koepel en breit aan een zwarte kous.

Stance en Jetje zijn langs de kiezelpaden gewandeld en haar rokken hebben ze gracieus een beetje opgenomen, zooals het behoort.

Tot Stance plotseling vooruit is gehold en Jetje hier heeft achter gelaten op den rand van kiezelpad en wildernis als de roepende, de tevergeefs roepende plicht.

Het natte, hooge gras sliert kil langs Stance' beenen. Ze bekommert zich om geen Jetje. Ze waadt verder. Hoe goed is dit! Aan sommige boomen hangen nog appels, roode, ruigroode appels. Stance schudt aan een stam en een paar appels ploffen neer. Ze raapt ze op.

— Wil je er ook een? — roept ze Jetje toe, die daar nog staat, ergens in de verte op het kiezelpad.

— Nee bah ! — antwoordt die geïndigneerd, — ze zijn zoo hard als bikkels. Ze moeten immers eerst liggen. Kom nou toch Stance ! Je bederft je japon. —

Maar Stance leunt tegen den stam van den appelboom, dien ze met één arm heeft omvat en bijt van de harde, knappende vrucht met de ruige schil. Ze ver-

Sluiten