Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langt naar iets hards, iets scherps, om die pijndoende zaligheid, die zaligmakende pijn, op te breken. De appel is scherp-zuur en hard. Ze bijt fel het eene stuk na het andere af. In de verte, over schuttingen van andere tuinen heen, ziet ze eensklaps een gloeiend oranje lijsterbes, zoo stralend, zoo wonderlijk uitbundig tegen het onpeilbaar diep blauw van de lucht.

Zooiets zag ik nog nooit, denkt ze. O, het doet pijn van binnen. O, nu weet ik hoe je vreugde zou moeten schilderen. Zoo .... oranje tegen blauwe oneindigheid. Hoe straalt het!

Ze bijt nog van den appel, maar droomeriger, minder fel-begeerig.

Jetje is weggegaan. O nee, een vriendin is Jetje niet. Ze slentert naar den koepel. Ze tript het trapje op. De koepel met het theelichtje en de ronde, gelakte koekjestrommels — rood en zwart met gouden sterretjes — met Oma, die fel een haakpen beweegt door het sterpatroon van een sprei en den notaris in zijn strakke, donkere kleeren, is een geïsoleerd en egocentrisch stukje binnenkamer te midden van den grooten zonnedag.

— Zoo alleen Jetje? Waar is Stance? —

— Stance —, zegt Jetje, — o, Stance, die is in den bongerd. Ze loopt zoo maar door het natte gras. Ik zei nog, dat ze haar jurk bederven zou. —

Oma fronst. Dat is weer dat rare in Stance. Dat, wat ze niet begrijpen kan, net als haar vluchten naar de zolderkamer.

Sluiten