Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschfiguurtjes zwermden over de ijsbanen, alsof een reuzenhand ze had uitgestrooid. Hoe verder je van de stad afkwam, hoe schraler het zaaisel leek opgekomen.

Stance reed in haar astrakan manteltje, de kleine astrakan muts op het donker haar, de handen in de ronde astrakan mof. Ze reed als een vogel, die de luchten doorklieft, licht en snel. Het rijden was haar een bevrijding, een eindelijk voorwaarts kunnen gaan na lang gebonden zijn. Ze genoot de snelheid. Haar bleek gezichtje kleurde zich zacht rood. Ze zag er uit, of ze in vlam stond. Haar oogen vlamden. Het roode hart van haar openspringenden mond vlamde. Een kleine vlammende vrouw in de witte bevrorenheid der winterlanden, voortsnellend op lichte voeten naar den verren horizon, waar een nieuwe vreugde wenkte .... een naamlooze vreugde .... toch misschien de vreugde te leven ?

Graag liet ze zich op een verren tocht, de laatste van een lange rij, wiegen op dit gevoel van blijde verwachting.

In die eerste dagen van vervoerende vrijheid, waarin haar zwakke levensliefde plotseling koortsachtig fel opgloeide, legde ze maar met tegenzin haar witwollen handschoenhandjes in de ruige, grijze van Mr. Berkhof. Liefst reed ze alleen. Liefst zou ze heel alleen steeds verder zijn gereden tot waar de landen wijd en eenzaam open lagen aan weerszijden van de donkere, gladde ijsbaan. Altijd ontlokte het haar een zucht, als er gekeerd moest worden. Als dan het silhouet van de stad

Sluiten