Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

speelt om Stance' lippen, als ze Bruin zoo in de bloemen ziet. Telkens herinnert ze zich met een schok, dat zij het is, die trouwt.

Gerard Berkhof heeft het gevoel, of de groote, donkere heerenhuizen.... de oude samenzweerders .... die strak en onbeweeglijk de bruidsstoet zien passeeren, onmiddellijk hun subtiel lachje glimlachen, zoodra deze voorbij is. Hij heeft in deze straat.... in dit huis in deze familie . . . altijd het ontzenuwend gevoel vaneen subtiel lachje in zijn rug .... een lachje, dat automatisch verschijnt, zoodra hij gepasseerd is.

En overal, waar de stoet voorbij komt, zelfs daar, waar in het geheel geen boomen staan, liggen de gele bladeren, verregend, armzalig, gekleefd aan de natte straatsteenen.

Het eerste gevoel, dat dien dag de nevelen doordringt, die Stance van de buitenwereld isoleeren, is medelijden met de weerloosheid van deze bladeren. Even trekt het schrijnend aan haar hart. En dan weer vindt ze zich terug in het droomgelijke, obstinate zoeken naar zichzelf. — Waar ben ik? Het is noodig, dat ik er bij ben. Hoe is het mogelijk, dat ik denken kan : Laten we ruilen, nicht Line en ik. Mij kan het immers niet schelen? Hoe is het mogelijk, dat ik zoo'n gedachte, die toch zeker afschuwelijk is voor een bruid, kan denken en dat het me niet eens ongelukkig maakt ? Het is verontrustend, dat deze gedachte me niet verontrust. Ik moet me vinden. Ik moet er bij zijn. Het is noodig, dat je er bij bent, als je trouwt. —

Sluiten