Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

parelgrijs Parijs zijn heimelijke bloei.

De straten zijn druk en bedrijvig. Er zijn kleine winkeltjes, waarin veel bonte koopwaar ligt uitgestald. In de diepte van deze winkeltjes vlammen gloeiende kleuren op. Er is een overvloed van vruchten : kersen, aardbeien, sinaasappelen, citroenen, olijven, amandelen .... al naar het seizoen. In manden zijn ze buiten gezet en dit geeft je het grappige gevoel, dat de winkels alleen maar winkeltje spélen. Het lijkt veel minder ernstig en degelijk met al die bonte kleurigheid zoo maar buiten in de zon.

De vrouwen loopen zonder hoed op straat, zelfs wel op kleine, kleppende muilen. Maar hun haren zijn mooi gekapt en om hun mond ligt een warme glimlach en hun oogen zijn teeder, of er altijd de herinnering aan iets wonderlijk liefs in ligt.

In een van de hooge huizen klim je veel trappen op. O nee, je bent niet jezelf. Nooit ben je in dit parelgrijs Parijs Stance Marens. Je bent de andere vrouw, de vreemde, onbekende vrouw, met wie oom Emile gevlucht is. Maar deze vrouw heeft de trekken van Emilie Chartres, zooals je je die herinnert van het wat wazig, meisjesachtig portret. Ze heeft goudblonde krullen en grijze, sterlichte oogen en ze draagt die parelende blijheid in zich, die Oma zoo smadelijk als „overmoed" betitelt.

Deze vrouw leeft in het parelgrijs Parijs. Ze is de vrouw van oom Emile en ze is Emilie Chartres en de

Sluiten