Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een smartelijke roode kerf. En de handen, vooral de slanke, fijngelede, voorzichtige handen. Misschien is het op eenmaal nacht. Misschien staat op eenmaal de hemel vol sterren. Je bent die vrouw, de vreemde vrouw van oom Emile én Emilie Chartres én jezelf. De handen omvatten je. Je voelt hun warmte door de dunne nachtpon heen. Dan voel je ze zacht en streelend over je bloote lichaam gaan. Zoo heel zacht, zoo heel streelend, zoo wonderlijk. Het is, of deze zachte vingers je uit jezelf halen. Je hart vloeit uit je weg in deze vingers. Je leven vloeit uitje weg en het is heerlijk dat te kunnen geven. Ze hebben je heel Hef, deze streelende . . . streelende handen.

Maar dan is er het verlangen den smartelijken mond te doen glimlachen. Je denkt — Liefste .... liefste .... ik zal... . o, ik zal ... . alles.

Als een fluweelige bloem met een diep-donker hart bloeit er iets in je open. Misschien is het vertrouwelijkheid. De armen houden je omvat. Ze zullen je niet loslaten. Het is zoo veilig .... zóó veilig, alsof je zacht en zonder pijn ging sterven. Sterven is veilig, omdat het alle „later" uitsluit. Het is het laatste. Daarom moet je ook aan sterven denken, wanneer de koesterende armen

om je heen zijn.

Je ziet op in zijn oogen en het is, of in hun diepte je eigen droomen zachtjes voorbij glijden.

— Liefste — zeg je, — wij ... . ons ....

En eensklaps glimlacht dan de smartelijke mond, onbegrijpelijk teeder en weemoedig. En spreekt die-

Sluiten