Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK 6.

Als ze dezen eersten winter van haar huwelijk door het huis ging, droeg Stance een grijs-wollen shawltje. Ze trok het stijf om de smalle schouders, die een beetje naar voren doorbogen, alsof ze steeds een te zwaren last droegen. Smal en geruischloos en altijd lichtelijk huiverend ging ze door het huis en het leek, of ze erop uit was in zich zelf weg te kruipen, om zich daar te warmen. Haar gezichtje onder de breede golf van het zware haar zag kleurloos bleek. Het scheen bevroren te zijn. Zoo nu en dan, als ze alleen was, kwam het langzaam los uit de verstarring. Dan glimlachte ze wel, traag en moeilijk, of ze den glimlach eerst probeeren moest. En soms was het, of een donkere vloed van heimelijk leven opwelde in haar oogen, die gewoonlijk van alle aandoeningen leeggeloopen schenen.

Het bleef een winter van wisselend weer. Dan weer enkele dagen vorst, dan weer een gure, natte dooi. Soms stond ze voor het raam van de tuinkamer en zag de groote sneeuwvlokken langzaam vallen, om op de kleffe, zwarte aarde snel te vergaan. Ze keek zoolang in de witte wemeling, dat ze er ijl en duizelig van werd. Het voelde dan wel even, of ze zelf meedwarrelde in dezen blanken val. Rondom haar de wemeling. Geen

Sluiten