Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kapothoedjes met trillende gitten, rimpelgezichten boven de pompeuze zwarte en grijze en paarse strikken der keelbanden, versleten stemmetjes, die fluisterend spraken, dicht bij je oor.

En de volgende generatie : de moeders. Breed en welgedaan meestal. Zoo stevig.... zoo vleeschelijk zoo alwetend in eigen oogen.

Hun ,,al" was weliswaar niet veel grooter dan een hoenderhof, maar die kenden ze dan ook. Mevrouw de Bie, mevrouw Jurriens .... de moeder van het magere Sophietje . . . mevrouw Dubbeldam, die een akelige wrat met drie haren erop naast haar neus had, maar ze scheen er zich niets van aan te trekken. Ze was even zelfverzekerd als de anderen.

En de jongste generatie. Haar eigen schoolvriendinnen : Jetje, Sophietje Jurriens, Treesje Dubbeldam, die zoo schuw was, of zij haar moeders afzichtelijke wrat droeg, anderen nog.

Stance zag den wijden kring in het zwakke winterlicht. De gloed van het vuur gleed over Jetjes weligblonde haren. Zilveren lepeltjes tinkelden tegen porseleinen theekoppen. En alsof hier een bijenzwerm was neergestreken, zoo roesde het stemmengerucht, aanzwellend .... terugwijkend.... opnieuw aanzwellend en weer wegzakkend. Op den hoogen weg voor het huis stonden zwart gesilhouetteerd de coupé-tjes van enkele der oude dames en zoo nu en dan hoorde je den ongeduldigen hoefslag van een paard.

Sluiten