Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij Stance had haar gasten bediend. Ze

had thee geschonken en koekjes gepresenteerd en daarna port en morellen op brandewijn.

In hun tuin in „De Hoven" groeide een morellenboom tegen de schutting. Met een langgesteelden zilveren lepel had ze de roode vruchtjes opgevischt en het zoet-sterke sap erover heen laten vloeien. Even had ze glimlachend moeten denken aan de confitures van haar huwelijksreis. Die waren ook zoo mooi geweest. Eigenlijk had ze ze vooral zoo graag willen eten, omdat ze zulke mooie

kleuren hadden.

Ze had de nieuwe japon uit Parijs gedragen, de lila met de heel breede volants en de hoogopgedofte mouwen.

En toen — ze wist zelf niet, hoe het zoo gekomen was — toen had ze eensklaps op het kleine stoeltje bij

de theetafel gezeten, alleen buiten den kring. De

vuurgloed werd sterker naarmate de schemering viel. Zacht en fijn zong het water op de theestoof. De druk pratende vrouwenkring kreeg in deze schemerige belichting iets duister-geheimzinnigs. Die hoofden, die zich naar elkaar toebogen, dat aanzwellend en weer wegdeinend praatgerucht, dat zilver-tegen-glas-getinkel, dat telkens even nippen van den diep-rood fonkelenden drank .... het was .... ja, het was net als de zeden en gebruiken van vreemde volkeren, dacht Stance. Er waren boeken van met platen. Dat leek je dan ook zoo ver en vreemd.

O nee, niet wat ze zeiden, was het geheimzinnige.

Sluiten