Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK 7.

„En, ben je niet blij, kind?"

Aprilmorgen. Ochtendlicht in de tuinkamer, blankblauwe val van ochtendlicht. Door het netwerk van de uitbottende takken der lindeboomen een klare, als gewasschen lucht met witte wolken als bollende zeilen.

En deze vraag van mevrouw de Bie, die vlak na het ontbijt even was aangeloopen bij Oma met een breipatroon voor een sprei — ze moest toch de stad in voor Jetjes uitzet. Jetje trouwde binnenkort met den jongen dokter Frijling. De onstuimigheid van Willem Hovingh, de aanbidder tijdens het trouwdejeuner, had hem niet tot een ondoordacht huwelijksaanzoek kunnen vervoeren. En bij gratie van deze weinig rasecht gebleken onstuimigheid trouwde Jetje nu met dokter Karei Frijling, die zich vestigen zou in het naburig Herkeloo.

Maar zij was er verre van de zaak aldus te stellen. Ze trouwde Karei Frijling, omdat ze hem liefhad. Op het moment, dat hij haar ten huwelijk vroeg, was de liefde ontsproten .... zoo maar .... uit niets.

Deze vraag dus van mevrouw de Bie, die van Oma het groote nieuws vernomen had. — En .... ben je niet blij, kind? —

„Blij ? . Gut nee . . .

Sluiten