Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het heeft mevrouw de Bie een scherpen blik ontlokt. — Over tienen en nog de ontbijtboel niet aan kant! Enfin, misschien voelt Stance zich 's morgens niet wel. Dat kan licht voorkomen .... in haar toestand. —

„En als er iets is, kindlief.... als je raad noodig hebt .... als je wat te vragen hebt.... wel, je weet, ik heb er zelf zes gehad .... je komt maar bij me, hoor. Je hoeft je voor mij niet te geneeren. Ik weet er alles van. Zoo'n eerste keer, dan wil je je wel eens wat zenuwachtig maken. Denk maar, dat ik zoo'n soort moeder van je ben, hoor kind."

„Ja mevrouw. Dank u mevrouw. Erg vriendelijk van u."

— Menschen moeten niet zoo dicht bij me komen —, denkt ze. — Ik kan dat niet verdragen. —

„Voel je je goed? Niet misselijk 's morgens?"

„O nee, mevrouw."

Ze heeft een weerzin om over lichamelijke ongemakken te spreken. Liever zou ze, als een dier, in een hoek sterven, dan de dikke mevrouw de Bie in deze akeligheid om hulp en raad vragen. Ze kan alleen wel misselijk zijn.

„Nou kindje, ik wil je niet langer ophouden. Je hebt nog veel te doen, zie ik. Dag hoor ! En je weet het als er iets is ... .

„Ja mevrouw. Dag mevrouw. Dank u mevrouw."

— Een kind —, denkt Stance en traag dompelt ze

Sluiten