Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een kopje in het luchtig schuimend zeepsop. — Een kind? Nee, het is niet eerlijk. Ik ben er immers nooit bij geweest. Hoe ver was ik weg ! En nu moet ik een kind

krijgen. O, het is niet eerlijk niet eerlijk, dat het

„niet ware" zoo slinks, langs een omweg waar kan worden. Nu is dit kind in me. Het wil, dat ik terug zal keeren. Waarheen?

Naar het onderaardsche.

Waarom moet ik denken „het onderaardsche"? Omdat dit huis diep ligt als in een ravijn? En het licht kan er niet leven. Net als vroeger thuis in de kamers beneden.

„Altijd ook dat sterven om je heen," zegt ze hardop en schrikt van haar eigen stem. — Maar het kind leeft —, denkt ze dan. — Er is iets niet goed. Ik weet niet wat. Ik voel, hoe het in me hapert. Als in de oude Friesche klok. Bij die kon je het haperen hooren. Bij mij voel je het. —

Afwezig dompelt ze steeds nieuwe kopjes in het zeepsop en merkt niet, dat ze bezig is opnieuw de schoone af te wasschen.

— Een moeder .... een kind .... dat zijn nieuwe en vreemde woorden. En ze zijn groot.... vervaarlijk groot. Een moeder .... een kind .... omzichtig hanteert ze deze vreemde, groote woorden. Omzichtig, of ze van een onbekende planeet waren komen vallen en zouden kunnen ontploffen. Omzichtig, zooals haar vader, notaris Marens, tijdens het trouwdejeuner de

Sluiten