Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De andere vrouw staat voor het raam. Ze staat aan de grens van de parelflonkerende klaarte als aan den oever van een licht gladde zee. En naast haar is de man en zijn arm heeft hij om haar middel geslagen. Zoo staat ze tegen hem aangeleund en anders is er niets.

De avond valt over het parelgrijs Parijs. Het licht glijdt weg langs de hellingen van daken en torenspitsen, langs de kruinen der boomen in den heimelijken tuin. Het keert naar den hemel terug. Het gaat naar huis. De vrouw en de man glimlachen gelijktijdig. Beiden denken ze, dat hij eens getracht heeft dat flonkerend licht vast te houden dat hij het heeft willen schilderen .... het licht.... niets dan het licht.... de parelglanzende flonkering .... opdat hij het voortaan altijd hebben zou, ook als het nacht werd.

Nu glimlachen ze gelijktijdig, omdat hij dit geprobeerd heeft en omdat het immers niet noodig is het licht te schilderen.

Dan zingt ergens .... in den tuin, die heimelijk bloeit in het hart der stad .... een vogel. Hij zingt met zoo'n overgave, met zoo'n intense verrukking, dat je denken gaat dat dit lied misschien zijn warme, kleine vogellichaam zal doen breken.

Het is avond geworden. Het laatste licht is weggegleden en nog altijd staan de man en de vrouw voor het hooge raam en zijn arm ligt om haar middel en ze leunt tegen hem aan. Ze is veilig en klein in zijn arm. Anders niets.

Sluiten