Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de diepte klinkt het avondlijk geklep op van een kleine kerkklok. Doordat het geluid zoo klein en schuchter is, lijkt de avond heel wijd en groot. Het is goed, nu veilig te staan in den arm van den man, dien je liefhebt. De beide handen van de vrouw klemmen zich om de eene vrije hand van den man. Ze wil geheel door hem omringd zijn. Haar oogen verliezen zich in de zijne in wier diepte ze haar eigen droomen langs ziet glijden, stille en vreemde kinderen. Haar oogen verliezen zich in de zijne. Ze wil niet anders dan in hem verloren gaan .... zoo heelemaal verloren, dat ze nooit zichzelf meer terug zal kunnen vinden.

En nu daalt de fluweeldonkere hemel .... daalt.... daalt.... lager en lager. En het fluweel is zeer zacht en streelend als het zich om je vleit. Het vleit zich om je als een levende vacht. Het doet huiveringen van zaligheid door je lichaam gaan. Met kleine, naakte, zachte voeten trippen ze omlaag langs je rug.

En dan flonkert het licht op eenmaal zoo hel. Het doortrilt je. Het is in je als een groote, warmende zon.

Liefste .... wij .... ons.

In den nacht van fluweel schijnt toch het licht.... lichtender dan het op eenig schilderij te schilderen zou zijn.

Liefste .... wij .... ons.

En dan glimlacht boven je de smartelijke mond, weemoedig en gelukzalig tegelijk.

En nu weet je : de andere vrouw kan het kind niet

Sluiten