Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tuinbaasje de stugge kluiten te effenen. Dikke wormen glijden traag weer weg naar hun onderaardsch domein. Het doet Stance huiveren als van koude.

Zelfs nu, op dezen warmen zomerdag, draagt ze over haar mousselinen japon het grijs-wollen shawltje. Haar oogen zijn heel groot geworden en schuilen weg in schaduwige diepten. Wangen en slapen zijn even ingevallen en deze onregelmatigheid geeft het gezichtje iets gepassionneerds, iets hongerigs, iets smachtends bijna, dat het zuiver gerond ovaal van eertijds niet eigen was.

Vreemd en teer, droomerig en fel, is dit kleine gezicht boven het zwaar geworden lichaam.

Ze is bang voor dit eigen lichaam als voor de zwarte aarde, waarin de vette wormen kronkelend wegglijden. Vreemd is het en onvertrouwd. Er leeft een kind in. Ze weet niet altijd, of ze zelf wel leeft. Is dit leven ? vraagt ze zich af. Is dit ,,ik" ? Maar dat het kind leeft, weet ze altijd.

De tuinman begint de bloemen uit te zetten in het perk. Het zijn bolbegonia's.

„Ach," zegt Stance, „waarom deze?"

Het mannetje kijkt uit zijn geknielde houding naar haar op met de tranende, ontstoken oogen van een al te aanhankelijk hondje. Zoo'n glad hondje, dat bij iedere beweging de ooren neerlegt, omdat het een slag verwacht en dat tegelijk probeert je hand te likken.

„Het ben de ienige, mevrouw," antwoordt hij. „Ik

Sluiten