Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze speelden allen mee. En nu, op hetzelfde oogen-

blik, dat ze wéét: het kan niet gelóóft ze : het

kan wel.

Ze is blij, als de rododendronbosch tusschen haar en dit vijandig staren is. Voorzichtig, met iets tastends, of ze het eigen lichaam niet vertrouwt, nadat het haar zoo snood verraden heeft, gaat ze verder langs het altijd vochtig, altijd even glibberig pad. Het lommer der boomen is zwaar geworden. In den tuin hangt een groene schemer, die je het gevoel geeft het wonderbaar lijk-griezelige binnen te glijden. Als wel in sprookjes .... doodstille wouden, waarin je eenzaam verdwalen zult.... kikkers .... padden .... booze tooverheksen. Groen dit alles als de schemergroene tuin. Ze weet ineens het woord .... beklemmend. En in deze beklemming staan de roode, de gele, de witte en rose kelken van de begonia's als booze oogen. Geen bloemen, maar dieren .... amphibieën.

Ook in het huis hangt datzelfde diffuse, groene schemerlicht en het is in de kamers altijd kil.

Andere menschen zeggen „koel."

Stance oogen zijn gewend aan dezen schemer. Ze komt zoo zelden verder dan het huis of den tuin. Ze kan niet met dit, haar vreemd geworden lichaam, door lichte straten gaan. Het maakt haar zonderling gejaagd als menschen de gescheidenheid van haar en dit lichaam niet zien. Men doet als waren ze één wezen. Dat is als in den droom, wanneer de zware treinen het huis te pletter

Sluiten