Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plassen maanlicht, die ze zich even moet dwingen te betreden. Ze zou er omheen willen loopen, maar ze heeft geen tijd.

Ze vindt dadelijk den koffer, haar koffer, die van haar moeder is geweest. Zonder er verder naar om te kijken laat ze het schilderij daarin glippen. Ze voelt iets zachts en zijigs op den bodem en in het ook hier binnenstroomend maanlicht, ziet ze de warme gloeiing van helle kleuren. De paradijsvogel, weet ze meteen, het borduurwerk, waaraan ze eens begonnen is. Ze heeft het nooit afgemaakt. Nu wikkelt ze het paneeltje erin. Dan sluit ze den koffer af.

Het sleuteltje bergt ze in de blauwzijden doos, waarin ze haar sieraden bewaart.

Terug in de huiskamer doorstroomt haar een weldoende warmte, dat ze dit nu heeft volbracht.

„Hij" zal er voortaan altijd zijn. Zelfs als ze moe en ziek is en te zwaar en te lusteloos, om hem te gaan vinden, dan zal er toch hier in het vreemde huis iets zijn, dat bij haar hoort.... iets .... een aanwezigheid. Ze zal niet zoo alleen zijn, als ze het kind moet krijgen .... niet zoo alleen, als ze misschien dood moet gaan.

Sluiten