Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid van vredig wegglijden verbeurd. Ze had de deur geopend. En te laat beseft, dat haar moed te zwak was geworden, om haar nog vreugde te doen vinden in het ijle en onvertroebelde licht.

Een tweede winter komt, waarin Stance met het grijswollen shawltje om de schouders getrokken door het huis gaat.

Het regent en sneeuwt en soms vriest het. De straat is hooger dan het huis. Je kijkt uit de diepte tegen de wereld op. Maar vanuit de achterkamer zie je in den tuin en deze vormt met het huis een afzonderlijke, lage wereld, waarvan de kleffe paden afhellen naar de nog weer zwarter diepte van het grachtwater.

De kleine vogels komen brood pikken op het terras en voor hen glimlacht Stance den weemoedig-verteederden lach, dien ze vindt de enkele malen, dat het wezenlijke leven zich vertrouwelijk en zonder schuwheid

nestelt in haar hand.

Het kind kan tot dit vertrouwde niet hooren. Haar verkeer met menschen kenmerkt zich door een natuurlijke, volkomen vanzelfsprekende hoffelijkheid. Ook in haar omgang met den baby is ze hoffelijk. Hij is een eenigszins zonderlinge gast voor wiens comfort en welbevinden gezorgd dient te worden. Hij ligt dus welverzorgd en weltevreden in zijn wieg en groeit.... en soms begint bij hem het breken van de wereld. In Stance is nimmer het gevoel van nauwe verwantschap met dit kleine,

Sluiten